Hieronder vindt u in het kort een weergave van de eisen die bijlage 3 en 4 van de Utrechtse Bouwverordening stelt aan bouwwerken (inclusief woningen en woonwagens). Wij benadrukken dat ondanks het streven naar een zo volledig mogelijke weergave, u geen rechten kunt ontlenen aan onderstaande tekst. Voor de artikelgewijs volledige weergave verwijzen wij u naar de tekst van Utrechtse Bouwverordening zelf. Niet genoemde artikelnummers zijn vervallen als gevolg van tussentijdse aanpassingen van de Bouwverordening.
De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico's te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het in stand houden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid, zoals het verplicht onderhouden van een brandmeldinstallatie.
Bijlage 3 Bijlage 4 Art. 1 Vrijhouden van terreingedeelten Art. 1 Uitgangen en vluchtwegen
Art. 2 Elektrische installaties en toestellen
Art. 2 Bekleding, stoffering en versiering Art. 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden Art. 3 Elektrische verlichtingArt. 4 Voorzieningen voor de afvoer van rook
Art. 4 Aanduiding van blusmiddelen Art. 5 Verbod voor roken en open vuurArt. 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw
Art. 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties
Art. 6 Opstelling van inventaris Art. 7 BrandweerliftArt. 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen
Art. 8 BrandmeldinstallatieArt. 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal
Art. 9 Ontruimingsalarminstallatie Art. 10 Glas Art. 10 Automatische brandblusinstallatie Art. 11 Textiel in horizontale toepassingArt. 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie
Art. 12 Toepassing van kunststof folie-materiaal, behangpapier,crêpepapier of fotopapier
Art. 12 Automatisch werkende deurenArt.
Art. 17 Onderhoud van rook-en brandscheidingen
Art. 19 LogboekArt. 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening
Art. 21 Rookmelders in woningen Art. 22 Roltrap Art. 23 GarantiecertificaatArt. 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes
Art. 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein
Art. 1 Vrijhouden van terreingedeelten
Art. 2 Elektrische installaties en toestellen
Art. 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden
Art. 4 Voorzieningen voor de afvoer van rook
Art. 5 Verbod voor roken en open vuur
Het is verboden om te roken of vuur te hebben:
Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar dit verboden is. Dit verbod moet op deze plaatsen altijd duidelijk en herkenbaar worden aangegeven. Dit kan door middel van opschriften als “VERBODEN TE ROKEN” of “VERBODEN VOOR OPEN VUUR”, dan wel door middel van gestandaardiseerde symbolen.
Art. 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties
Minstens eenmaal per jaar moet de brandweerlift door een specialist worden gecontroleerd of deze schoon en veilig is en of deze naar behoren werkt. Zo nodig moet onderhoud worden verricht. De resultaten van een controle en onderhoud moeten worden bijgehouden in een logboek. Een brandweerlift is vereist wanneer in een gebouw de hoogste verblijfsvloer meer dan 20 meter boven het maaiveld ligt.
Wanneer een brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer is vereist, moet deze installatie ook altijd zijn gecertificeerd. Alleen instanties die daartoe de bevoegdheid hebben kunnen een geldig certificaat afgeven. Het certificaat moet te allen tijde aanwezig zijn, zodat de brandweer deze kan inzien. Ook is het verplicht om een opgeleid beheerder van de brandmeldinstallatie aan te stellen. Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te voorkomen. De beheerder moet een logboek bijhouden. Het certificaat van de installatie wordt hierin opgenomen.
Of een brandmeldinstallatie is vereist hangt onder andere af van de hoogte van het gebouw, de totale gebruiksoppervlakte, het aantal verblijfsruimten, het aantal bouwlagen en het aantal vluchtroutes. Wanneer u twijfelt of in uw pand ook een brandmeldinstallatie is vereist, kunt u het beste contact opnemen met Brandweer Utrecht, afdeling Pro-actie & Preventie. Telefoonnummer 088 - 878 20 00, email utrecht@vru.nl.
Art. 9 Ontruimingsalarminstallatie
Wanneer er een ontruimingsalarminstallatie aanwezig is, moet deze altijd voor onmiddellijk gebuik beschikbaar zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie. Wanneer de installatie vereist is, is het tevens verplicht om een ontruimingsplan voor de aanwezige personen te maken. Dit ontruimingsplan moet ter goedkeuring aangeboden worden aan de commandant van de brandweer. Na goedkeuring moet het plan opgenomen worden in het logboek.
Of een ontruimingsalarminstallatie is vereist hangt onder andere af van de hoogte van het gebouw, de totale gebruiksoppervlakte, het aantal verblijfsruimten, het aantal bouwlagen en het aantal vluchtroutes. Als u wilt weten of in uw gebouw ook een ontruimingsalarminstallatie is vereist, kunt u contact opnemen met Brandweer Utrecht, afdeling Pro-actie & Preventie. Telefoonnummer 088 - 878 20 00, email utrecht@vru.nl.
Art. 10 Automatische brandblusinstallatie
Art. 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie
Art. 12 Automatisch werkende deuren
Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen het vluchten van mensen nooit belemmeren. Dit houdt in dat de deuren bij het wegvallen van de netspanning automatisch opengaan of makkelijk met de hand kunnen worden geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen schuifdeuren moet duidelijk vermeld staan hoe de deuren moeten worden geopend.
Let op: het bovenstaande geldt niet voor deuren die vanwege hun brandwerendheid of rookwerendheid zijn geëist door de brandweer. Deze deuren moeten namelijk altijd zelfsluitend zijn en handmatig kunnen worden geopend.
Soms is er in een pand een sluisconstructie aanwezig. Dit houdt in dat de ene (schuif)deur eerst gesloten moet zijn voordat de volgende (schuif)deur opengaat. Wanneer er een sluisconstructie aanwezig is, moeten er altijd voorzieningen worden getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.
Art. 12 A Deuren van overdruktrappenhuizen
Overdruk in een trappenhuis kan in sommige gevallen geëist worden om er zeker van te zijn dat het trappenhuis niet volstroomt met rook in geval van brand. De deuren die op de verdiepingen van een gebouw leiden naar een overdruktrappenhuis, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis is. Omdat de benodigde kracht om een dergelijke deur te openen groter is dan van een normale deur, kan het namelijk lijken alsof de deur op slot zit. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op overdruk staan’.
Art. 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding
Art. 15 Rookbeheersingssystemen
Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuw- en krachtventilatie. Van het gebruik, het onderhoud en de controle van een rookbeheersingssysteem moet altijd een certificaat aanwezig zijn. Dit certificaat moet worden afgegeven door een instelling die daarvoor goedkeuring heeft van burgemeester en wethouders. Het certificaat moet altijd aanwezig zijn in het pand, zodat de brandweer het kan inzien.
Art. 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen
Door sommige wanden kunnen zogenaamde doorvoeren lopen. Voorbeelden hiervan zijn luchtbehandelingkanalen, kabelgoten, transportsystemen en buizenpost. Wanneer deze doorvoeren door een wand lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, moeten ze voorzien zijn van maatregelen die branddoorslag naar een andere ruimte voorkomen. Deze voorzieningen moeten minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zonodig worden gerepareerd. Ook moet er minimaal een keer per jaar door een deskundige een controle worden uitgevoerd en het nodige onderhoud worden verricht op de voorzieningen in de doorvoeren. De resultaten van alle controles moeten worden bijgehouden in een logboek.
In een logboek wordt de historie van de brandveiligheidsvoorzieningen vermeld. Met historie wordt bedoeld: alle technisch relevante informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de certificaten, etc. Ook de resultaten van de ontruimingsoefening moeten in het logboek worden vastgelegd. Dit logboek moet altijd in het bouwwerk ter inzage liggen en onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en toezichthouders het kunnen inzien.
Art. 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening
Burgemeester en wethouders moeten op de hoogte worden gesteld van werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het gaat hier om onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt. Dit betekent dat bij brandgevaarlijke werkzaamheden B&W geïnformeerd moet worden. Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk of maatschappelijk belang zijn.
Art. 21 Rookmelders in woningen
Bij nieuwbouwwoningen zijn rookmelders verplicht. In basis moeten deze geplaatst worden in de gangen en trappenhuizen. In grotere woningen moeten ze mogelijk in alle ruimtes geplaatst worden. De werking van deze rookmelders moet te allen tijde gegarandeerd zijn. De werking moet u zelf maandelijks testen met behulp van de testknop en indien nodig de batterij vervangen.
De terugloopruimte van een roltrap (het gedeelte onder band dat u niet ziet) moet minimaal eens per kwartaal worden onderhouden en gereinigd, omdat vuil en stof zorgen voor een verhoogd risico op het ontstaan van brand.
Bij sommige panden worden constructieonderdelen gebruikt die alleen na een aanvullende behandeling als “voldoende brandveilig” kunnen worden bestempeld. Voorbeelden hiervan zijn het impregneren van rieten daken (deze dienen na behandeling niet-brandgevaarlijk te zijn), stalen draagconstructies (deze dienen na een behandeling met een verfsysteem brandwerend te zijn) en houten gevelbekleding (deze dienen na behandeling met een impregneermiddel te voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van brandvoortplanting). Dergelijke constructieonderdelen moeten zijn voorzien van een geldig certificaat. Hiermee kan worden aangetoond dat de kwaliteit van de behandeling in stand gehouden wordt.
Art. 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes
In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen hogere eisen aan de brandbaarheid van een materiaal en de rookproductie van dat materiaal bij brand. In deze ruimten is de opslag van goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen, etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor de hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.
De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en trappenhuizen in woongebouwen, logiesgebouwen en gebouwen met een gezondheidszorgfunctie (in het algemeen gebouwen waar ook geslapen wordt). Daarnaast mag er geen opslag plaatsvinden in de brand- en rookvrije vluchtroutes (meestal trappenhuizen) van andere gebouwen (niet-slaapgebouwen).
Art. 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein
Sommige bouwwerken hebben een eigen bluswaterwinplaats om ervoor te zorgen dat er altijd voldoende bluswater beschikbaar is. De eigenaar van het bouwwerk is verantwoordelijk voor het nodige onderhoud aan de waterwinplaats. Bij dit onderhoud hoort minimaal een periodieke test op het leveren van voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test moet jaarlijks worden uitgevoerd. Op verzoek van of namens de burgemeester en wethouders moet altijd een testbewijs of testrapport kunnen worden overlegd.
Bijlage 4
Art. 1 Uitgangen en vluchtwegen
Aan de buitenzijde van een nooddeur (de zijde die aan de buitenkant van het gebouw zit) moet de opschrift 'NOODDEUR VRIJHOUDEN' worden aangebracht.
Art. 2 Bekleding, stoffering en versiering
Art. 3 Elektrische verlichting
Een ruimte waar meer dan vijftig personen gelijktijdig verblijven mag nooit helemaal verduisterd (kunnen) worden. Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is.
Art. 4 Aanduiding van blusmiddelen
Wanneer blusmiddelen worden geëist, moeten zij ook herkenbaar en zichtbaar worden aangegeven. Bij ingebouwde blusmiddelen moet aan de buitenzijde van kast een pictogram worden aangebracht, zodat het zichtbaar is dat er een blusmiddel in de kast aanwezig is.
Art. 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw
Om te zorgen dat het afsteken van vuurwerk in een bouwwerk veilig gebeurt, is het van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop de activiteit wordt uitgevoerd. U bent verplicht een vergunning aan te vragen bij de Provincie Utrecht.Tevens moet u mininmaal veertien dagen vantevoren de datum en locatie melden bij Brandweer Utrecht. Dit kan via het emailadres utrecht@vru.nl.
Art. 6 Opstelling van inventaris
Wanneer stoelen in de vorm van rijen staan opgesteld, moet er tussen de rijen een vrije ruimte zitten van ten minste 0.40 meter. Dit geldt ook wanneer er tafeltjes tussen zijn geplaatst.
Soms moeten de zitplaatsen op een manier bevestigd worden dat ze bij paniek niet kunnen verschuiven of omvallen. Dit kan door de zitplaatsen te koppelen of aan de vloer te bevestigen. Deze maatregelen zijn nodig in situaties waarbij sprake is van:
Wanneer slechts één uiteinde van een rij uitkomt op een gangpad, mag de rij maximaal acht stoelen bevatten. Wanneer beide uiteinden op een gangpad uitkomen mag de rij ten hoogste bevatten:
De vrije ruimte in een ruimte is zodanig dat er:
Wanneer de vrije vloeroppervlakte minder dan 0.5m² per persoon bedraagt moeten alle stoelen, tafels en dergelijke in de ruimte vastgezet worden zodat zij bij paniek niet kunnen verschuiven of omvallen.
Art. 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen
Alle draagbare blustoestellen moeten minstens eenmaal per jaar door een specialist worden gecontroleerd op reinheid en een goede werking en indien nodig gerepareerd. Dit geldt zowel voor draagbare blustoestellen die volgens de wet worden vereist, als voor draagbare blustoestellen in een gebouw die op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars aanwezig zijn. Aangezien het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen gegarandeerd is.
Art. 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal
Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in gebouwen aanwezig zijn, mogen alleen worden toegepast als:
Met deze eisen kan worden voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Door deze eisen wordt ook de ontwikkeling van rook beperkt. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen door rook gehinderd worden in hun
In geval van brand kan glas dat is toegepast als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden gevaar opleveren voor vluchtende mensen of hulpverleningsdiensten. Het glas zou kunnen bezwijken en naar beneden vallen. Het toegepaste glas mag alleen worden gebruikt als het als veiligheidsglas wordt aangemerkt of als het glas is voorzien van een ingesloten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16mm (draadglas).
Deze eis geldt voor glas dat als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands podia, kramen etc. is toegepast.
Art. 11 Textiel in horizontale toepassing
Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia en kramen, etc. wordt uitsluitend toegepast wanneer het textiel is onderspannen met metaaldraden. Er mag maximaal 0.35 meter ruimte tussen de draden zitten. Wanneer het textiel onderspannen wordt met metaaldraden in twee richtingen, mag er maximaal 0.70 meter tussen zitten. Deze eis voorkomt dat het textiel naar beneden valt en gevaar oplevert voor vluchtende mensen of hulpverleningsdiensten.
Art. 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapier
Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands, podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal, board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en moet voldoen aan de hiervoor gestelde eisen voor plaatmateriaal of glas